|
Inleiding
Huisstijl (m.), de aard en het geheel van de visuele presentatie van een onderneming, zoals naamcode, bedrijfssymbool, opmaak, lettersoort en eventueel kleur van het verspreide drukwerk en van opschriften enz. Was huisstijl tot de jaren tachtig van de vorige eeuw een verschijnsel waar slechts weinigen van gehoord hadden, tegenwoordig is het begrip volledig ingeburgerd. Vrijwel iedere organisatie beschikt over een huisstijl. Althans, naar eigen zeggen. En op grond van de bovenstaande omschrijving van het begrip huisstijl in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal klopt dat nog ook. Het probleem met deze omschrijving is dat zij nogal summier is. Het woordenboek gaat wel in op de verschijningsvorm van huisstijl, maar niet op de achterliggende visie. In dit boekje wordt aangetoond dat deze visie een essentieel onderdeel is van huisstijl en dat bij het ontbreken van deze visie er geen sprake is van een echte huisstijl. Huisstijl gaat verder dan het even plaatsen van een woordmerk (naamcode) en een beeldmerk (bedrijfssymbool) op het briefpapier en de gevel. Huisstijl probeert een organisatie als geheel te visualiseren. Om dat te kunnen, moet een huisstijl in staat zijn het wezenlijke van een organisatie tot uitdrukking te brengen, de identiteit. Wanneer de identiteit eenmaal in de huisstijl zichtbaar is gemaakt, vormt deze de basis voor een consistente vorm van communicatie. Voor de externe én de interne communicatie, want een organisatie heeft niet alleen met het publiek te maken; ook de eigen medewerkers kijken met bepaalde ogen naar hun werkgever. |
|||